Nieuws
Als schooltoetsen in politieke handen vallen
Vorige week heeft minister Van Bijsterveldt een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd dat handelt over de verplichting van een eindtoets in het basisonderwijs. Het land denkt misschien dat het om een technische maatregel gaat, onderwijsmensen en politici weten beter.
Er zijn een paar redenen waarom deze eindtoets ingevoerd wordt. De eerste reden is de roep om verantwoording. Vertrouwen in een school is niet meer vanzelfsprekend. Dat wij zouden willen uit gaan van de kennis en ervaring van leraren en hun schoolorganisatie getuigt van een naïeve levensinstelling, zo lijkt het. Om vertrouwen te kunnen hebben, moeten we over cijfers beschikken die vervolgens vergelijkingen mogelijk maken, met een norm, met resultaten in het verleden, met andere scholen, met scholen in andere landen zelfs.
De tweede reden heeft betrekking op de schoolloopbaan die pas aan de hand van cijfers adequaat zou kunnen verlopen. Dat een belangrijk deel van de jeugd zoekend en tastend haar weg vindt, is niet voldoende, niet efficiënt.
Die hang naar cijfers is een gevolg van de moderne behoefte om de menselijke wereld op dezelfde ‘wetenschappelijke’ manier te behandelen als de niet-menselijke wereld waar de wetten van de natuurwetenschap gelden, zie Charles Taylor in Een seculiere tijd. Hij noemt dit de moderne identiteit. Maar, constateert hij, in de praktijk slagen wij er niet in onze contacten (over resultaten bijvoorbeeld) op die manier af te doen. De menselijke factor (charisma, een sterke wil, de onbekende factor kortom) kan een groot verschil maken, zo beleven we (net zoals onze voorouders dat beleefden).
Volgen we Taylors constatering, dan begrijpen we de zwakke kanten van het beleid van de minister. In de eerste plaats leidt het tot een standaardisering van onderwijsprocessen die de relationele kant ervan onder druk zet, terwijl wij het authentieke contact tussen docent en leerlingen toch als cruciaal blijven ervaren. Het paradoxale gevolg van deze pressie is een daling van onderwijsresultaten.
Het tweede punt is de nevenschade: ongebreidelde concurrentie tussen scholen; versmalling van het onderwijsaanbod; de gemeentebestuurder die een scherpere norm stelt dan de inspectie; een ongezonde toename van huiswerkklassen; een groep achterblijvers: ouders, kinderen en leraren die het zelfvertrouwen hebben verloren. Er ontstaat een onbehagelijke one-shot society, een typering van de situatie in Zuid-Korea; ze is afkomstig van het Engelse weekblad The Economist (in december vorig jaar). In dat land hangt je toekomst van examens af. Ouders tasten diep in de buidel voor de beste scholen en voor huiswerkklassen, die ’s avonds laat doorgaan. En je treft ze aan in diep gebed. Ze doen alles voor dat ene succes van hun kinderen.
Dit wetsvoorstel is niet doordacht. Het lokt standaardisering van onderwijs uit waardoor het werk van vakmensen in de knel komt, en er dreigt het gevaar van ‘Zuid-Koreaanse toestanden’.
Nico Dullemans, VKO, centrum katholiek onderwijs
